Login:
Wachtwoord:

Want er is een God en ook een middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus


Het verlossende woord

Overdenking | 23/07/2011 | 05:46

“Brengt dank aan de ENE, want hij is goed, want voor eeuwig is zijn vriendschap!- zo zullen zeggen de verlosten van de ENE, die hij uit de hand van een benauwer verlost heeft, en uit de landen vergaard heeft,- van zonsopgang, van avondland, van het noorden, van de zee. Wie dwaalden in de woestijn, door een woestenij,- de weg naar een stad om te zetelen vonden zij niet,- hongerend, gekweld door dorst bovendien, tot hun ziel in hen verkwijnde. Zij schreeuwden toen het hun benauwd was tot de ENE; aan al wat hen benarde heeft hij hen ontrukt. Hij liet hen reizen de meest rechte weg, om te gaan naar een stad om te zetelen. Dat zij danken de ENE om zijn vriendschap, om zijn wonderen aan Adams zonen. Want hij heeft verzadigd de ziel die versmachtte, de ziel die verhongerde vervuld met alle goed! Die neerzaten in duister en schaduw van de dood, in ellende en ijzer gekluisterd, want zij hadden weerstreefd de gezegden der Godheid, het raadsplan des Hoogsten gehoond, en hij verootmoedigde door veel moeite hun hart, zij struikelden en geen die hielp. Zij schreeuwden in hun nood tot de ENE, uit al wat hen benarde heeft hij hen gered; uit duister en schaduw van dood deed hij hen uitgaan, hun boeien scheurde hij los! Dat zij danken de ENE om zijn vriendschap, om zijn wonderen aan Adams zonen; want deuren van brons, die verbrak hij, verbrijzelde grendels van ijzer! Dwazen werden vanwege hun misstap, vanwege hun wandaden gekweld; van alle eten gruwde hun ziel, ze geraakten tot aan de poorten des doods. Zij schreeuwden in hun nood tot de ENE, uit al wat hen benarde heeft hij hen gered; hij zond zijn woord uit en genas hen, deed aan de groeve hun leven ontkomen. Dat zij danken de ENE om zijn vriendschap, om zijn wonderen aan Adams zonen; dat zij offeren offers van dank, vertellen zijn daden met jubel!”

“Wij wijs is, zal déze dingen bewaren, zal begrijpen de bewijzen van vriendschap van de ENE”.

Het verlossende woord

Onlangs maakte iemand mij attent op het boekje ‘Tot dienst geroepen’, biografie van ds. M. de Jong, in eigen beheer uitgegeven, Oldenzaal 1995.

Ik ontmoette hem voor het eerst in de zomer van 1972.

Iemand, en ik ben werkelijk voor het moment vergeten wie het was, adviseerde mij eens een week op het Evangelie Buitencentrum ‘Saron’ door te brengen.

Ik had zojuist mijn tweede jaar studie aan het Bijbel Instituut België in Brussel voleindigd.

‘Saron’, een prachtige verbouwde boerderij. Vakantiecentrum en vooral Pastoraal centrum. Een ieder die behoefte heeft aan rust, maar vooral mensen die in hun leven ergens vastgelopen zijn, zijn op ‘Saron’ van harte welkom.

Ds. De Jong haalde mij af van het station in Oldenzaal en leidde mij die dag rond in zijn levenswerk. In Jesaja 65:10 staat: “Saron zal worden tot een weide vol wolvee”. In Hooglied 2:1 wordt het meisje, de bruid, ‘de roos (of: narcis) van Saron’ genoemd. Saron is een vruchtbare vlakte ten zuiden van de berg Karmel, golvend, heuvelachtig, doorkruist door talloze riviertjes en beken (Korte Verklaring Hooglied door Dr.G.Ch.Aalders, Kok, Kampen).

We voerden enkele gesprekken en aan het slot van die week vroeg hij mij of ik na mijn studie hulppredikant wilde worden in zijn gemeente in Enschede. Ik heb dat toen resoluut geweigerd. Mijn hart ging uit naar België en ik verlangde om dáár de HEER te mogen dienen.

Sinds het moment dat ik Saron verliet, had ik geen contact meer met ds. De Jong. Bij het hervatten van mijn studie kreeg ik door bemiddeling van Ds. Carl Ledune van Seraing, mijn thuisgemeente, een uitnodiging van de preses van de synode van de Eglise Réformée de Belgique. Ik had een geweldig gesprek. Mij werd een gemeente toegewezen, een inkomen, en de mogelijkheid om na mijn studie nog twee jaar theologie te studeren aan de Vrije Universiteit van Brussel.

De deur stond wijd open, maar overduidelijk zei een stem diep van binnen: Nee, dit is niet de weg. Teleurgesteld kwam ik terug op mijn kamer in het Bijbelinstituut. Ik was boos op God. Ik weet nog dat ik op mijn knieën viel en het uitzegde aan de HEER: Als het dan persé Enschede moet zijn, laat mij dan binnen een week een brief van Ds. De Jong krijgen, waarin hij mij opnieuw vraagt om naar Enschede te komen. Overtuigend was Gods woord over de weg die ik moest gaan: “Slaat geen weg naar de heidenen in en komt niet in een stad van Samaritanen binnen; gaat om te beginnen naar de verloren schapen van het huis Israëls” (Matteüs 10:5b-6).

En de brief kwam, na drie dagen.

Zo kwam ik na mijn studie als hulppredikant in Enschede. Later werd ik bevestigd tot predikant.

De biografie van mijn leermeester ontroert mij. Pas nu besef ik wat een moeilijk leven hij gehad heeft. De samenwerking met hem was uitermate moeilijk. Hij was een zeer autoritaire, dominante persoonlijkheid. Omdat ik in een langdurige, diepe depressie geraakte, had ik geen weerstand, geen tegenwoord. Ik was bang voor hem.

Uiteindelijk heb ik mijn taak in mei 1975 moeten neerleggen.

En tóch heb ik één ding geleerd van ds. Marinus de Jong.

In zijn biografie vind ik het niet terug. Maar centraal in zijn bediening en in zijn pastoraat stond Psalm 107:20 “Hij zond zijn woord uit en genas hen, deed aan de groeve hun leven ontkomen”.

Ik kan met overtuiging zeggen, dat dit motto bepalend is geweest voor alle jaren dat ik actief de gemeente van Jezus Christus heb mogen dienen.

Psalm 107

Het viel mij recent op in de brieven van Paulus dat hij begint met het zegenen van de gemeenten, het zegenen van zijn medewerkers en met een dankgebed.

(Romeinen 1:7-8; I Kor.1:3-7; 2 Kor.1:2; Gal. 1:3; Ef. 1:2,16; Fil. 1:2-4; Kol. 1:2-3; 1 Thess.1:1-2; 2 Thess.1:2-3; 1 Tim.1:2; 2 Tim.1:2-3-4; Titus 1:4; Filemon 1:3-4).

In Psalm 107:1 wordt ingezet met de woorden: “Brengt dank aan de ENE, want hij is goed, want voor eeuwig is zijn vriendschap”.

Dank God voor zijn goedheid.

Dank God voor zijn vriendschap.

Wat is goed? De allereerste associaties als kind zijn, dat er beloning ligt in het gehoorzamen van je ouders, van je opvoeders. Iets goed doen is gehoorzamen, doen wat je ouders en opvoeders van je vragen.

En dan moet ik beslist denken aan de rode balpen van de leerkracht.

De prachtige krul als iets foutloos was, de streep als iets fout was.

En ik herinner me de vreugde van alles wat nieuw was. Het leerboekje, de nieuw gevulde inktpot, de nieuwe kroontjespen, het nieuwe schrift.

Ooit begon ik te schrijven in een nieuw schrift. Zo mooi als ik kon.

Want mijn hele leven ga ik niet voor goed, maar voor uitstekend. Niet voor goed, maar voor volmaakt. En toen maakte ik een inktvlek. Het hele schrift kon wel weggegooid worden. Behoedzaam legde ik het vloeipapier op de vlek, want de onderwijzeres liep tussen de rijen door om te zien of we het goed (dat is: perfect) deden. Ze trok mijn hand weg en het vloeipapier en ik kreeg een klap (een pedagogische tik).

Ooit komt een jonge man bij Jezus, die hem aanspreekt met Goede meester. Maar Jezus antwoordt: “Wat noem je mij goed?- niemand is goed, behalve één: God” (Marcus 10:17-18).

Ik ontdek dat het Hebreeuwse woord tob gebruikt wordt. In ons spraakgebruik: tof.

In Genesis 1:31 lezen we: “God beziet het, al wat hij heeft gemaakt en zie, het is zéér goed!”

God ziet zijn volbrachte werk, het werk van de schepping, de schepping van de mens en zijn conclusie is: het is buitengewoon tof.

In I Johannes 1:5 lezen we: “En dit is de verkondiging die wij van hem (= het Levende Woord) hebben gehoord en u kond doen: God is licht, en duisternis is er bij hem helemaal niet”.

God is goed. En goed staat voor alles wat licht, helder, transparant is.

God heeft geen dubbele agenda. Paulus schrijft in Romeinen 8:28 “Wij weten dat voor wie God liefhebben hij alles doet medewerken ten goede,- voor wie naar zijn voornemen geroepenen zijn”.

In de oude Willibrordvertaling wordt gezegd dat God in alles het heil bevordert. Daar is God op uit: op ons heil, dat is: herstel, redding, verlossing, genezing.

Daarvoor gebruikt hij alles.

Een tweede eigenschap waarvoor wij God danken is zijn vriendschap.

Meestal wordt dit woord vertaald met goedertierenheid. Persoonlijk vind ik dat een nietszeggend woord.

Het grondwoord betekent letterlijk: verbondstrouw.

God houdt zich aan zijn afspraken, aan zijn beloften.

Je kunt van hem op aan.

Hij is nu werkelijk een vriend door dik en dun, in goede en in slechte tijden.

In Johannes 15:12-15 lezen we: “Dit is mijn gebod: dat ge elkaar liefhebt zoals ik u heb liefgehad. Grotere liefde dan deze heeft niemand: dat iemand lijf-en-ziel inzet voor zijn vrienden. Gij zijt mijn vrienden als ge doet wat ik u gebied; ik noem u niet meer dienaars (slaven) omdat de dienaar (slaaf) niet weet wat zijn heer doet; u heb ik tot vrienden benoemd omdat ik aan u bekend heb gemaakt al wat ik gehoord heb bij mijn Vader”.

Vriendschap is in de ogen van Jezus: de ander deelgenoot maken van wat er in je leeft, geen geheimen hebben voor elkaar, en zelfs zelfopofferende overgave.

Welnu: laten we ten allen tijde éérst beginnen met dankzegging aan God voor zijn goedheid en zijn verbondstrouw, zijn vriendschap.

In vers 8, 15, 21, 31 wordt Gods volk opgeroepen om dit te doen.

En om zijn wonderen aan Adams zonen, in andere vertalingen: aan de mensenkinderen.

Psalm 107 is zeer waarschijnlijk geschreven na de Babylonische ballingschap.

Wordt het lijden van het volk Israël beschreven in Egypte, tijdens de woestijnreis, een volk op weg naar het beloofde land?

Wordt het lijden van de Israëlieten beschreven tijdens hun ballingschap, die zij ervaren hebben als gevangenschap?

De bedreiging van hun bestaan, zoals beschreven in het boek Ester?

Spreekt deze psalm profetisch over de terugkeer uit de diaspora?

Dit volk wéét wat het is om te verkeren in de woestijn, honger en dorst te lijden (vers 4 en 5). Het verlangen om je te zetelen, moderner: te settelen in een door muren omgeven stad (vers 7).

Dit volk wéét wat het is om in het duister te verkeren, in gevangenschap, in doodsnood (vers 10,14,16-18).

Dit volk wéét wat het is om in een vliegende storm terecht te komen (vers 23-27,29-30). Een veilige haven binnen te varen (vers 30).

Dit volk wéét waar ongehoorzaamheid aan God toe leidt, maar ook dat inkeer leidt tot uitredding (vers 33-42).

In welke omstandigheid Israël ook verkeert…

Vroeg, maar meestal láát, schreeuwen zij, roepen zij luid tot de ENE (de Eeuwige, de HEER, Jahwe).

Kijk maar in vers 6, 13, 19, 28.

Als je een beroep doet op de goedheid van God, zijn trouwbeloften, dan roep je nooit tevergeefs.

Hij ontrukt hen aan hun benarde situatie (vers 6).

En zij komen aan in de stad van hun verlangen (vers 7).

Hij bevrijdt hen van hun boeien en leidt hen uit de gevangenis.

(vers 14). Hij ramt de gevangenisdeuren, verbrijzelt de grendels (vers 16).

Hij redt hen van het graf (vers 20).

Hij legt de storm het zwijgen op en brengt Israël in een veilige haven (vers 29-30).

Worden alle gebeden verhoord?

Naar eer en geweten antwoord ik: JA!

Bij mijn weten bestaan er geen onverhoorde gebeden.

Het antwoord komt, op Gods tijd, anders dan wat wij willen, en het kan ook een heel duidelijk NEE zijn.

Dát antwoord is besloten in het woord dat God uitzendt.
De Schrift is heel duidelijk over de scheppingskracht die er in het door God uitgezonden woord besloten ligt.

In Psalm 33:6 en 9 lezen we: “Door het woord van de ENE zijn de hemelen gemaakt, door de geestesadem van zijn mond heel hun heirschaar…Want hij zei, en het werd, hij gebood en het kwam tot stand”.

In Genesis 1 zien we telkens dat als God de Schepper iets zegt het tot stand komt. Al sprekend brengt hij orde in de chaos.

In Hebreeën 1:3 wordt gesproken over de Zoon, over Jezus Christus “hij draagt alles door zijn krachtig woord.

Dit betekent letterlijk dat door Gods spreken het universum functioneert zoals het functioneert.

Dat door Gods spreken de planeten in hun baan blijven.

Dat door Gods spreken de atomen bestaan.

In Openbaring 8:1 is sprake van het volgende: “En toen hij het zevende zegel opende, geschiedde er een stilte in de hemel van ongeveer een half uur”. En wie het vervolg leest (Openbaring 8 en 9) ziet welk een rampspoed de aarde treft.

Johannes, de leerling van Jezus die door hem zeer bemind werd en die Jezus beminde, die aan de laatste paasmaaltijd aan de borst van Jezus lag, die als geen ander het hart van God heeft horen kloppen in de Zoon, die heeft het geheimenis begrepen.

Niemand van de andere evangelieschrijvers, schrijft zo over Jezus als hij doet in Johannes 1:1-5, 14-18: “Sinds het begin is er HET SPREKEN, dat SPREKEN is God nabij (vertaling ds. Toornvliet: verkeert in de omarming van God), ja God zelf is dat SPREKEN; het is er sinds het begin, God zo nabij; alles geschiedt daardoor en buiten dat om geschiedt niet één ding. Daarin is er leven en dat leven is het licht der mensen; het licht schijnt in de duisternis: de duisternis heeft het niet opgenomen…HET SPREKEN is vlees-en-bloed geworden en heeft bij ons zijn tent opgeslagen; wij hebben zijn glorie aanschouwd, een glorie zoals eigen aan de eniggeborene van bij de Vader;- vol van genade en waarheid. Johannes (de Doper) getuigt over hem, en wat hij te zeggen had heeft hij uitgeroepen: hij is het van wie ik gezegd heb: die na mij komt is voor mij geworden, omdat hij er eerder was dan ik!- ja uit zijn volheid hebben wij allen mogen aannemen, en wel genade op genade; hoewel de Wet door Mozes is gegeven geschiedt ‘de genade en de waarheid’(Psalm 85:11) door Jezus Christus. God: niemand heeft hem ooit gezien; de eniggeboren Zoon, die de Vader het naast aan zijn hart is, hij legt hem aan ons uit!”

HET SPREKEN VAN GOD = HET WOORD = JEZUS CHRISTUS = EXEGESE VAN DE VADER.

En dát spreken van God gaat dóór.

Onze opdracht is: “Trekt uit tot heel de wereld en predikt de evangelieverkondiging aan heel de schepping: wie zal geloven en zich laat dopen zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld; maar déze tekenen zullen hen die geloven volgen: in mijn naam zullen zij demonen uitwerpen, in nieuwe talen spreken; slangen zullen zij optillen en zelfs als ze iets dodelijks drinken zal het hen niet schaden; zieken zullen zij handen opleggen en die zullen beter worden! (…) Maar zij, zij trekken uit en prediken overal, terwijl de Heer met hen meewerkt en het woord bekrachtigt door de tekenen die erop volgen” (Marcus 16:15-18,20).

Paulus schrijft in Romeinen 10:17: “Dus: het geloven is uit het horen, en het horen is door het woord van Christus”.

En eerder: “Want met een hart gelooft men tot gerechtigheid en met een mond belijdt men tot behoud” (:10).

Van ds. Marinus de Jong heb ik geleerd dat er tijdens het lezen (liefst: hard op) en de verkondiging van het Woord iets gebeurt in de hoorder.

Er vindt een proces plaats: “Ja, zoals neerdaalt de regen en de sneeuw uit de hemel, en daarheen niet terugkeert dan nadat hij de aarde heeft gelaafd, haar heeft doen baren en uitspruiten,- en zaad heeft gegeven aan de zaaier en brood aan de eter,- zó zal mijn woord zijn dat wegtrekt uit mijn mond; het keert niet ledig tot mij terug,- dan nadat het gedaan heeft wat mij behaagt en doen lukken waarvoor ik het uitzond” (Jesaja 55:10-11).

Het woord is als een instrument dat de aarde bewerkt en bevochtigt.

Het woord is als een zaadje dat geplant wordt.

Het woord verzorgt de aarde en het zaad, zodat het ontkiemt, opgroeit en vrucht draagt.

Het woord blijft ons achtervolgen totdat het resultaat zichtbaar wordt.

De apostel Jakobus zegt ons: “En neemt in zachtmoedigheid het woord aan dat in u geplant is en bij machte is om uw zielen te redden” (1:21b).

Als wij ontvankelijk zijn voor het woord dat tot ons gesproken wordt, het aannemen, dan redt het ons op hetzelfde moment.

Als wij het gelovig aannemen, worden wij op hetzelfde moment verzegeld met de heilige Geest (Efeziërs 1:13). Dat wil zeggen: op het moment dat wij ons hart openen, het woord gelovig aannemen, komt de heilige Geest in ons wonen en daarmee zijn we voor eeuwig Gods eigendom geworden.

Het aan ons verkondigde woord wekt geloof, reddend geloof.

Maar ook, naar Psalm 107:20, genezing.

Morgen is het zondag.

Velen van ons gaan naar een kerk of gemeente.

De Reformatie heeft ruim plaats gegeven in de eredienst voor het verkondigen van het woord.

In de charismatisch-evangelische kringen dreigt het gevaar dat de verkondiging van het woord mindere betekenis krijgt.

Lofprijzing en aanbidding, muziek en dans en drama nemen een steeds grotere plaats in de eredienst uit.

Sinds kort ben ik lid van een Protestantse Kerk, de Bethelkapel, in Den Haag.

De eredienst is sober. En ja, ik zou het fijn vinden om naast de psalmen en gezangen Opwekkingsliederen te zingen. Maar ik ben blij dat de uitleg van de Schrift een belangrijke plaats inneemt in de dienst.

Laten we bidden voor hen, die geroepen zijn om te prediken.

Laten we bidden voor een met kracht van de Geest geladen woord.

Laten we bidden om een ontvankelijk hart.

Dat we verwachtingsvol zijn.

Want het woord dat we horen is in staat ons te redden, ons te verzoenen, ons te vertroosten, ons te vermanen, ons terecht te wijzen, ons te genezen.

Gebed

HEER, spreek, uw mens luistert.

HEER, spreek, red en genees mij.

HEER, ontferm u over alle nabestaanden van de aanslagen in Noorwegen.

Spréék alle getroffenen aan.

Maak u zichtbaar in alle nood.

HEER, ontferm u over allen die in noordelijk Afrika doodgaan van de honger.

HEER, leer ons delen van onze rijkdom.

HEER, zorg voor een structurele oplossing.

HEER, bevorder het heil van allen die uw woord lezen en horen.

In Jezus’ Naam. AMEN.

Ik wens alle lezers/lezeressen een goede zondag en werkweek of vakantieperiode.

PETER GERRETS

<< Terug

sereen zegt:

24 juli 2011 | 03:53

Citeer

Wat mooi en zo waar.
Plaats je bericht





Beveiliginscode